a b c d e f g h i j k l m n o p q r s t u v w x y z

nederlanda v...

V.S.: Usono
vaag: svaga
vaak: multfoje, ofte
   niet vaak: malofte
vaal: livida, pala
vaan: standardo
vaandel: standardo
vaargeul: ŝanelo
vaarwel: adiaŭ
   vaarwel zeggen: adiaŭdiri
   vaarwel zeggen: adiaŭi
vaas: vazo
vaat: vazaro
   de vaat doen: lavi la vazaron
vaatwasmachine: vazlavilo
vacant zijn: vaki
vaccin: vakcino
vaccinatie: vakcinado
vaccineren: inokuli, vakcini
vacuole: vakuolo
vacuüm: vakuo
vacuüm trekken: vakuigi
vadem: klafto
vademen (draad in naald bijv.): tredi
vader: patro
vaderland: patrio, patrujo
vaderlandsliefde: patriismo, patriotismo
vaderlandslievend: patriotisma
vaderschap: patreco
vadsig: kuŝema
vagevuur: purgatorio, puriĝejo
vagina: vagino
vaginaal: vagina
vak: fako
vakantiedag: ferio
vakbond: sindikato
vakman: fakulo
vakterm: termino
vakvereniging: sindikato
vakwoordenboek: terminaro
vakwoordenlijst: terminaro
val:
   val (v.e.rijk bijv.): defalo
   val (v..dieren bijv.): enfalilo
   val (bijv. een val zetten): faligilo
   val (bijv. een val zetten): falilo
   val (het vallen): falo
   ten val brengen: renversi
valentie:
   betr. de valentie: valenta
   valentie (taalk.): valento
valentiegetal: valento
Valentijn: Valenteno
Valentijnsdag: tago de Valenteno
valeriaan: valeriano
valhek: herso
valies: valizo
valk: falko
valken en caracara's (fam.): falkedoj
valkruid: arniko
vallei: valo
vallen: fali
   uit iets vallen: elfali
   doen vallen: faligi
   vallen (door druk van iets): subfali
vallen op (v.lichtstraal): incidi
valling: malvarmumo
valreep: pastabulo
vals: falsa, falsema, postiĉa
valse morielje: giromitro
valsmunter: monfalsisto
valstrik: insido
   valstrik (ontr.): kabalo
valuta: valuto
ad valvas: anonctabulo
vámhivatalnok: doganisto
vámos: doganisto
vampier: vampiro
vanachter: malantaŭe
vanadium: vanadio, vanado
vanaf: eke de, komencante de, komence de
vanaf nu: de nun
vandaag: hodiaŭ
   van vandaag: hodiaŭa
   vandaag (z.nw.): hodiaŭo
vandaag de dag: nuntempe
   van vandaag de dag: hodiaŭa
vandaal: vandalo
vandalisme: detruemo
vangen: kapti
vanille: vanilo
van pas komen: utili
Vanuatu: Vanuatuo
van voor: de antaŭ, el antaŭ
vanwege: flanke de
vanzelfsprekend: kompreneble, memevidenta, memkomprenebla
   vanzelfsprekend (bn.): memkomprenebla
   vanzelfsprekend (bw.): memkompreneble
van zins zijn: intenci
varen: navigacii, navigi
   varen (zn.): navigado
variabele: variablo
variant: varianto
variatie (muz.): variacio
variëren: varii
varieté: varieteo
varieté-theater: varietea teatro
varjag: varengo
varken: porko
varkens (fam.): porkedoj
vaseline: vazelino
vast: fiksa, solida
vastberaden: rezoluta, rezolute, senŝanceliĝa
   vastberaden maken: obstinigi
vastberadenheid: obstineco, obstino
vastbinden: ligi, ligilo
vasteland: kontinento
vasten: fasti, fasto, Granda Fasto
vastentijd: fasto, Karesmo
vasthaken: alkroĉi, kroĉi
   zich vasthaken: alkroĉiĝi
   zich vasthaken: kroĉiĝi
vasthouden: teni
vasthuizig: fikshejma, loksida
vastketenen: alkateni, ĉeni
vastklinken: niti
vastmaken: fiksi, ligi
vastpinnen: kejli
vastsmeden: alforĝi
vastspelden: alpingli
vastspijkeren: alnajli
vaststellen: determini
vastzetten: fiksi
   zich vastzetten: fiksiĝi
Vaticaan: Vatikano
Vaticaans: Vatikana
vaudeville: vodevilo
vazal: feŭdulo, vasalo
vechten: barakti
vector: vektoro
vedergras: stipo
veegsel: balaaĵo
veel: multa, multe, multo, multobla
   veel (vaak): ofte
   te veel: tro
   te veel: troe
veelal: ofte
veeleisend: postulema
veelgodendom: politeismo
veelhoek: plurlatero, poligono
veelhoekig: multangula
veelhoek met n zijden: n-latero
veelkleurig: bunta, diverskolora, multkolora
veelknopigen: poligonacoj
veelvlak: pluredro
   veelvlak (arch.): poliedro
veelvoorkomend: ofta
veelvoud: oblo
   kleinste gemeen veelvoud: plej malgranda komuna oblo
veelvoudig: multespeca
veelvraten: gulo
veenbes: oksikoko
veenderij: torfejo
veenwortel: poligono
veer: risorto
veerboot: pramŝipo
veerpont: pramo, pramŝipo
veganisme: veganismo
veganist: vegano
veganistisch: vegana
vegen: balai
veger: balailo
vegetariër: vegetarano
vegetarisch: vegetara
vegetarisme: vegetaranismo, vegetarismo
vegetatie: vegetaĵaro, vegetalaro
vegeteren: vegeti
veilen: aŭkcii
veilig: sekura
veiligheidscopie: savkopio
veiligheidsgordel: sekurrimeno, sekurzono
veiligheidsklep: savklapo
Veiligheidsraad: Sekureca Konsilio
veiligheidsspeld: fibulo, sendanĝera pinglo
veiligheidsventiel: savklapo
veiligmeester: aŭkciisto
veiling: aŭkcio
veinzen: simuli
vel: felo
   Je moet het vel van de beer niet verkopen, voor hij geschoten is.: antaŭ mortigo de urso ne vendu ĝian felon
   je moet het vel van de beer niet verkopen voor hij geschoten is: antaŭ mortigo de urso ne vendu ĝian felon
   vel (op melk bijv.): haŭto
velaar: velaro, velsono
velair: velaro, velsono
velcro: lapfermilo
veld: kampo
veldhospitaal: ambulanco
veldmaarschalk: ĉefgeneralo
veldmuis: kampomuso
veldmuur (plant): alsino
veldspaat: feldspato, spato
veldteken: standardo
veldwachter: kampogardisto
vele: multa
velg: radrondo
velijn: veleno
velijnpapier: veleno
vellen: faligi
velocipede: velocipedo
velum: postpalato
vendel: standardo, trupo
vendetta: venĝomurdo
vendu: aŭkcio
venerisch: venerea
Venezolaan: venezuelano
Venezolaans: venezuela
Venezuela: Venezuelo
venkel: fenkolo
vennoot: kompaniano
   stille vennoot: komanditanto
vennootschap: kompanio
venster: fenestro
vensterbank: fenestrobreto
vensternis: embrazuro
venstertje: fenestreto
vent: ulo
ventiel: valvo
   ventiel (arch.): klapo
ventilator: ventolilo
ventileren: aerumi, ventoli
ventrikel: ventriklo
Venus: Venero, Venuso
venushaar: adianto
ver: fore, foren
   ver (ontr.): lontana
verachtelijk: malestiminda
verachten: malami, malestimi
verafschuwen: abomeni
veralgemenen: ĝeneraligi
veranda: verando
veranderen: aliigi, aliiĝi, ŝanĝi, ŝanĝiĝi
   zich veranderen: ŝanĝiĝi
veranderlijk: ŝanĝiĝema
verantwoord: responsa
verantwoordelijk: responsa
verantwoordelijke: responsulo
verantwoordelijkheid: respondeco, responso
verantwoordelijk zijn: respondi, responsi
verassen: cindrigi
veratrum: veratro
verband: bandaĝo, tampono
verbannen: elpeli
verbazing: perplekso
zich verbeelden: imagi
verbeelding: fantaziaĵo, imagaĵo
verbeeldingskracht: fantazio, imago
verbena: verbeno
verbergen: kaŝi
verbeteren: korekti, plibonigi
verbetering: korekto
verbeurdverklaren: konfiski
verbieden: malpermesi
verbinden: konekti, ligi
   verbinden (omzwachtelen): bandaĝi
verbinding: kombinaĵo, komunikiĝo, konekto, ligo
   in verbinding brengen: interkomunikigi
   in verbinding staan: komunikiĝi
   in verbinding staan: komunikiĝi
verbindingspunt: komunikejo
verbintenis: alianco
doen verbleken: paligi
verblijf: restado
verblijfplaats: kieo
verblinden: blindigi
verbloemende uitdrukking: eŭfemismo, evitvorto
verbluffen: konsterni
verbluft: perpleksa
verbond: alianco, fasko
verbonden: konektite
   niet verbonden: senkonekte
verbouwen (v.planten): kultivo
verbranden: bruldifekti, bruligi
   verbranden (verwonden door te branden): brulvundi
verbrassen: disperdi, fordrinki
verbrijzelen: dispecigi, frakasi
   het verbrijzelen: frakaso
verbroederen: interfratiĝi
verbronzen: bronzi
verbruiken: forkonsumi, foruzi, konsumi
verbruiker: konsumanto
verbruiksbelasting: akcizo
verbuigbaar: fleksia, fleksiebla
verbuigen (taalk.): deklinacii
verbuiging: deklinacio, kazaro
verdacht: suspekta, suspektinda
verdampen: vaporiĝi
   doen verdampen: vaporigi
verdedigen: defendi
verdediging: defendo
verdelen: disloki, dispartigi, partigi, partumi
verdenken: suspekti
verder: plu, plue
verdergaan: daŭrigi
verderzetten: daŭrigi
verdichten: densigi
verdict: verdikto
verdiend: merita
verdienen: enspezi, gajni, perlabori
   verdienen (waardig zijn): meriti
verdienste: enspezo, merito
verdienstelijk: laŭdinda, merita
zich verdiepen: ensorbi
verdieping: etaĝo
verdikken: dikiĝi
verdoemen: damni, kondamni
verdoemenis: damno
verdoeming: damno
verdoezelen: stompi
verdomme!: diable
verdorie!: diable
verdorvenheid: gangreno
verdoven: anestezi, narkoti
verdovend middel: narkotaĵo, narkotiko
verdoving: anestezo
verdovingsmiddel: anestezilo
verdraagzaam: tolerema
verdrag: traktato
verdragen: elteni, toleri
Noord-Atlantische Verdragsorganisatie: Nord-Atlantika Traktat-Organizaĵo
Verdrag van Westfalen (ontr.): Vestfaliaj Packontraktoj
verdrietig: malgaja
verdrijven: ĉirkaŭpeli, dispeli
verdrinken (zijn zorgen bv.): fordrinki
verduidelijken: klarigi
verduistering (v.geld): malversacio
verduiveld!: diable
verduiveld: diabla
verdunnen: dilui, malkoncentri
verdwijnen: foriĝi, forperdiĝi, forsveni, nuliĝi
   tot verdwijnen gedoemd: kaduka
veredelen: grefti, humanigi, purigi
vereelt: kala
vereenvoudigen: faciligi
vereffenen: kvitigi
Verenigde Staten: Usono
verenigen: unuigi
   zich verenigen: unuiĝi
vereniging: societo
vereren: kulti
vererend: honoriga
verering: kulto
verf: farbo, kolorigilo, kolorilo
verfijnen: rafini
verfoeien: abomeni
verfoeilijk: abomeninda, fia
verfrissen: refreŝigi
   zich verfrissen: refreŝiĝi
   zich verfrissen: sin refreŝigi
verfrissend: refreŝiga
verfromfaaien: taŭzi
iets dat verfrommeld is: ĉifaĵo
verfrommelen: ĉifi
vergaan: forpasi, perei
vergaderen: kunsidi, kunveni
vergadering: kunsido
vergeefs: vana
vergeet-mij-niet: miozoto
vergelden: reciproki
vergelijkbaar: simila
vergelijken: kompari
   het vergelijken: komparado
vergelijking: komparo
   trappen van vergelijking: komparacio
   trappen van vergelijking: komparado
   in vergelijking met: kompare kun
vergemakkelijken: faciligi
vergeten: forgesi
vergeven: absolvi, forbeni, pardoni, pekliberigi, senpekigi
vergeving: pardono
vergevingsgezind: pardonema
vergif: veneno
vergiftenleer: toksologio
vergiftigen: veneni
Vergilius: Vergilio
   Publius Vergilius Maro: Vergilio
verglazen: glazuri, vitrigi
vergoddelijken: apoteozi
vergoddelijking: apoteozo
vergoeden: kompensi
vergoeding: kompensaĵo, kompenso
vergrendelen: rigli
vergroeid: kripla
vergrootglas: grandiga vitro, lupeo
vergulden: ori
vergunning: licenco
verhaal: rakonto
   dat is een ander verhaal: tio estas alia rakonto
verhandeling: memuaro, traktato
verharden (tr.): hardi
verheerlijken: apoteozi
verheerlijking: apoteozo
verheffen: levi
   zich verheffen: leviĝi
verhemelte: palato
   zacht verhemelte: postpalato
verheven: sublima
verhinderen: antaŭforigi, kontraŭi, malhelpi
verhogen: altigi, intensigi, levi
verhouding: kvociento, proporcio, rilato
   in verhouding staan tot: rilati
verhuizen: transloĝiĝi, translokiĝi
verhuren: ludoni, luigi
verjaardag: naskiĝtago
verjaren: preskriptiĝi
verjaring: preskripto
verkavelen: disparceligi
verkeer: trafiko
verkeerd: malĝusta
verkeerd informeren: misinformi
verkeerd uitspreken: misprononci
verkeerd verstaan: misaŭdi
verkeersader: arterio
verkeerslicht: semaforo
verkeersplein: trafikcirklo, trafikrondo
verkeersregels (ontr.): trafikan kodon
verkeersreglement: trafikregularo
   verkeersreglement (ontr.): trafikan kodon
verkeerswisselaar (comp.): enkursigilo
verkenner: skolto
   verkenner (padvinder) [m.]: skolto
verkieslijk: preferinda
verkiezen: preferi
   te verkiezen: preferinda
verklappen: antaŭrakonti, malsekretigi
verklaren: deklari, ekspliki
verklaring: depozicio
verkleden: alivesti, parodii, travestii
verkleinen: redukti
verkleinvorm: diminutivo
verklikken: denunci
verknoeien: fuŝi
verkoold: karbigita
verkopen: debiti, forkomerci, forvendi, vendi
verkorten: mallongigi
verkoudheid: malvarmumo
iets dat verkreukeld is: ĉifaĵo
verkreukelen: ĉifi
verkrijgen: akiri
verkwanselen: disipi, malŝpari
verkwisten: disipi, malŝpari
verkwistend: elspezema
verlammen: mueli, paralizi, senmovigi
verlamming: paralizo
verlangen: sopiri, sopiro
verlaten: eliri, forlasi
   de Esperantobeweging verlaten: kabei
verleden: inta
   verleden (zeldz.): paseo
verleidelijk: tenta
verleiden: delogi, tenti
verleider: tentanto
verleiding: tentado, tento
verlept: velka
verlevendigen: vivigi
verlichten: heligi, ilumini, lumigi
verlichting: iluminado
   verlichting (geschiedk. stroming): klerismo
verliefden: amantoj, geamantoj
verliefd worden: enamiĝi
verlies: malprofito
verliezen: malgajni, perdi
verloochenen: malkonfesi
verloofde:
   verloofde (vr.): fianĉino
   verloofde (ma.): fianĉo
verloop: proceso, procezo
verloren gaan: perdiĝi
verloskundige: akuŝistino , akuŝisto
verlossen (bij de bevalling helpen: akuŝigi
verlostang: akuŝilo, forcepso
verloten: lotumi
verloven: fianĉigi
   zich verloven: fianĉiĝi
verloving: fianĉiĝo
verluchten: aerumi
vermaardheid: renomo
vermageren: maldikiĝi
vermakelijk: amuza
vermakelijkheid: atrakcio
vermaken: amuzi, regali
   zich vermaken: amuziĝi
   zich vermaken: ludi
vermeerderen: pliigi
vermelden: mencii
vermengen: miksi
   zich vermengen: miksiĝi
vermenigvuldigen: multigi, multipliki, multobligi, obligi
   zich vermenigvuldigen (arch.): proliferi
vermenigvuldiger: multiplikanto
vermenigvuldiging: multipliko
vermenigvuldigtal: multiplikato, multiplikendo
vermicelli: vermiĉelo
verminken: kripligi, mutili
verminkt: kripla
verminkt worden: kripliĝi
vermoeid: malfreŝa
vermoeien: tedi
vermoeiend: klopoda
vermogen: kapacito, povo, riĉaĵo
   belastbaar vermogen: censo
   vermogen (bekwaamheid): kapableco
   vermogen (bekwaamheid): kapablo
vermoorden: murdi
vermorzelen: frakasi
   het vermorzelen: frakaso
vermout: vermuto
vermurwen: kompatigi
vernederen: humiligi
   zich vernederen: humiliĝi
vernemen: sciiĝi
vernielen: malfari
vernier: verniero
vernietigd worden: detruiĝi
vernietigen: detrui, neniigi
vernietigend: detrua
vernietiging: detruo
vernietigingswapen: detruilo
vernikkelen: nikeli
vernis: verniso
vernissen: vernisi
vernuftig: sagaca
veronachtzamen: neglekti
veronderstelbaar: konjektebla
veronderstellen: hipotezi, konjekti, supozi, suspekti
veronderstelling: hipotezo, konjekto
verontreinigen: polui
verontreiniging: poluado
verontrusten: maltrankviligi
verontschuldigen: senkulpigi
verontwaardigd: indigna, indigne
verontwaardigd zijn: indigni
verontwaardigen: indignigi
verontwaardiging: indigno
veroordeelde: kondamnito
veroordeeld worden: kondamniĝi
veroordelen: kondamni
   veroordelen (schuldig verklaren): kondamni
   te veroordelen: kondamninda
   zich veroordelen: sin kondamni
veroordelend: kondamna
veroordeling: kondamno
veroorzaakt door: kaŭze de
veroorzaken: estigi, kaŭzi
verorberen: manĝegi
veroveren: almiliti, konkeri, militakiri, permiliti
verpachten: farmigi
verpakken: enujigi
verpakking: pakaĵo, pakumo
verpanden: lombardi
verpanding van het vruchtgebruik: antikrezo
verpersoonlijking: enkorpiĝo
verplaatsen: deloki, movi, transporti
verplaatsing:
   verplaatsing (fys.): translacio
   verplaatsing (wisk.): translacio
verplanten: transplanti
verpleegster: flegisto
verplegen: flegi
verpleger: flegisto, sanitaristo
verplichten:
   aan zich verplichten: ŝuldigi
   zich verplichten tot: ŝuldiĝi
verplichtingsloos: kvita
verpoederen: pulvorigi
verpulveren: grajnigi, polvigi, pulvorigi
verraad: perfido
verraden: perfidi
verrader: perfidulo
verraderlijk: perfida
verrassen: surprizi
verrassend: surpriza
verrassing: surprizo
verrekenen: kvitigi
verrekijker: binoklo
   dubbele verrekijker: dulorneto
   enkele verrekijker: lorno
verrijzen: leviĝi
verrukken: ravi
vers: freŝa
   vers (versregel): verso
verschaffen: havigi
verschalken: superruzi
verschansing (v.schip): pavezo
verscheidene: pluraj
verschieten: surpriziĝi
verschijnen: leviĝi
verschillend: malsama
verschrikkelijk: terura, terure
verschrompelen: ŝrumpi
versie: redakcio, versio
versieren: ornami, plibeligi
versiering: beligaĵo, ornamaĵo
verslag: raporto, referaĵo, referato
verslaggever: raportisto
verslag uitbrengen: raporti, referi
verslapen: tradormi
versleutelen: ĉifri
verslijten: eluzi
verslinden: manĝegi, vori
versmelten: fandiĝi
versnellen: akceli
   versnellen (tr.): rapidigi
   versnellen (intr.): rapidiĝi
versnelling: akcelo, rapidumo
versperren: barikadi
versplinteren: spliti
verspreiden: disvastigi, lanĉi
   zich verspreiden: disflugi
   verspreiden (huis aan huis): kolporti
verstaanbaar: kompreneble
een goed verstaander...: saĝa kapo duonvorton komprenas
verstand: intelekto
   gezond verstand: komuna saĝo
   zijn verstand verliezen: perdi la kandelon el la kapo
   gezond verstand: prudento
verstandig: prudenta, saĝa
verstandskies: saĝodento
verstenen: fosiliiĝi, ŝtoniĝi
versterken: amplifi, fortikigi, intensigi
versterkend: tonika
versterker: amplifilo
versterkt: fortika
verstijven (v.gewrichten): ankiloziĝi
verstijving: katalepsio
verstikken: premmortigi
verstikkend: sufoka
verstommen:
   verstommen (tr.): mutigi
   verstommen (ntr.): mutiĝi
verstoppen: ŝtopi
   verstoppen (constipatie veroorzaken): konstipi
verstoppertje: kaŝludo
verstopping: mallakso, obstrukco
   aan verstopping lijden: konstipiĝi
verstoten: forrifuzi
versturen: ekspedi
versvoet: piedo
vertaalprogramma: tradukilo
vertalen: traduki, translingvigi
   het vertalen: tradukado
vertaling: tradukaĵo
verte: foraĵo
vertederen: kompatigi
verteerbaar: digestebla
vertegenwoordigen: reprezenti
   doen vertegenwoordigen: reprezentigi
vertegenwoordiger: delegito, komerca agento, migra komizo, vojaĝa komizo
vertegenwoordiging: delegitaro
vertellen: rakonti
verteller: rakontisto
verteren: digesti, elspezi, konsumi
   wat doet verteren: digestiga
vertering: digesto, elspezo
verticaal: vertikala
vertolken: buŝtraduki, interpreti
zich vertonen: montriĝi
vertragen: malfruigi
vertrekken: deiri, ekiri
vertrekpunt: deirpunkto
vertrouwelijke mededeling: konfidenco
vertrouwen: konfidi, kredi
   vertrouwen (z.nw.): fido
vertrouwen op: fidi
vertrouwenspersoon: konfidenculo
vertrouwenswaardig: fidinda
verval: marasmo
   in verval geraken: kadukiĝi
vervaldag: fikstempo
vervallen: enfali, kaduka
vervalsen: falsi
ver van: malapud
vervangen: substitui
   vervangen (plaats innemen van): anstataŭi
   vervangen (i.d.plaats stellen): anstataŭigi
vervangend: anstataŭa
verve: vervo
vervelen: enuigi, tedi
   zich vervelen: enui
vervelend: enuiga
verveling: enuo
verven: farbi, kolori, kolorigi
   verven (v.stoffen): tinkturi
verver: kolorigisto, tinkturisto
vervliegen: forflugi
vervloeken: damni, kondamni, malbeni
vervloeking: damno
vervoegen: konjugacii, konjugi
vervoeging: konjugacio
vervoeren: veturigi
vervolgen: persekuti
vervolledigen: kompletigi
vervolmaken: perfektigi
vervuilen: polui
   vervuilen (vuil maken): malpurigi
   vervuilen (vuil worden): malpuriĝi
vervuiling: poluado
vervullen: plenumi
in vervulling gaan: efektiviĝi
verwaand: pedanta, sinmontrema
   verwaand zijn: pedanti
verwaarloosbaar: neglektinda
verwaarlozen: malzorgi, neglekti
verwaarlozing: neglekto
verwachten: atendi, suspekti
in verwachting: graveda
verwant: afina, parenca
verward: hirta
verwarmen: hejti, varmigi
centrale verwarming: centra hejtado
verwarren: impliki, intermiksi, konfuzi, miksi
verwarrend: konfuza
verwarring: konfuzo
verwekken: naskigi
   verwekken (een kind): generi
verwekking: generado
verwelken: forflori, velki
verwelkomen: bonvenigi
verwennen: dorloti
verwensen: damni
verweren: efloreski
verwerend: efloreska
verwering: efloresko
verwerkelijken: realigi
verwerken: digesti
verwerpelijk: kondamninda, mallaŭdinda
verwerpen: kondamni, malakcepti
verwerven: akiri
   verwerven (door verjaring): uzukapi
verwerving (door verjaring): uzukapo
verwijderen: forigi
verwijt: riproĉo
verwijten: riproĉi
verwikkeling: implikaĵo, komplikaĵo
verwonden: vundi
verwonderen: mirigi
   zich verwonderen: miri
verwondering: miro
verwoorden: vortigi, vortumi
verwrongen: torda
verzachten: faciligi, mildigi
verzadigd: sata
verzadigen: satigi, saturi
verzamelen: kolekti
   zich verzamelen: kolektiĝi
verzameling: kolekto
verzegelen: sigeli
verzeker-: asekura
verzekeraar: asekuristo
verzekeren: asekuri
   verzekeren (garanderen): certigi
   verzekeren (met klem verklaren): certigi
   verzekeren (voor zeker verklaren): garantii
verzekering: asekurado, asekuro
verzekeringsagent: asekura agento
verzekeringsmaatschappij: asekura kompanio
verzenden: adresi, ekspedi, sendi
   verzenden (v.data): alŝuti
   verzenden (zn.): ekspedo
verzending: ekspedo
verzendlijst: dissendolisto
verzen schrijven: versi
verzet: rapidumo, rezisto
verzetten: ribeli
verziend: malmiopa
verzilveren (zilver maken): arĝenti
verzinken: enprofundiĝi, galvanizi, profundiĝi
   in gedachten verzinken: enpensiĝi
verzoek: peto
verzoeken: peti
verzoekschrift: peticio, petskribo
   een verzoekschrift indienen: peticii
Grote Verzoendag: Jomkipuro
verzoenen: pacigi
verzolen: replandumi
verzorgen: prizorgi, varti
verzuchten: ekĝemi
verzuchting: sopiro
verzuimen: preterlasi
verzwakken: krepuskiĝi
verzwijgen: prisilenti
vesper: vespro
vest: veŝto
vestiaire: vestejo
vestibule: antaŭĉambro, vestiblo
vestigen: gevestigd worden: establiĝi
vestigen: establi
vestiging:
   vestiging (resultaat): establaĵo
   vestiging (actief): establo
vesting: fortikaĵo
vestingmuur: murego
Vesuvius: Vezuvio
vet: grasa, graso
veter: laĉo
veteraan: veterano
vetkaars: seba kandelo
vetmesten: grasigi
veto: vetoo
   zijn veto stellen: vetoi
vettig: grasa
vetvlek: grasa makulo
vet worden: grasiĝi
veulen: ĉevalido
vezel: fibro
via: tra
viaduct: viadukto
Victor: Viktoro
vicuña: vikunja lamo
videoband: vidbendo, videbendo
vier: kvar
vierde: kvara
   ten vierde: kvare
   vierde (deel): kvarono
vierde naamval: akuzativo
vierhoek: kvarlatero
vierhoekig: kvarangula
vierkant: kvadrata, kvadrato
vierkanten aanbrengen: kvadratumi
vierkant maken: kvadratigi
vierkleurenhypothese: konjekto pri la kvar koloroj
vierkleurenvermoeden: konjekto pri la kvar koloroj
vierlettergroep: kvarliteraĵo
viertal (z.nw.): kvaropo
vies: malpura
Vietnam: Vjetnamio
vignet: vinjeto
vijand: malamiko
vijandin: malamikino
vijf: kvin
vijfde: kvina
   ten vijfde: kvine
   vijfde (deel): kvinono
vijfde naamval: vokativo
vijfhoek: kvinlatero, pentagono
vijftal (z.nw.): kvinopo
vijg: figo
vijgcactus: figokakto
vijgdistel: figokakto
vijgenboom: figarbo
   wilde vijgenboom: sikomoro
vijgencactus: figokakto
vijl: fajlilo
vijlen: fajli
vijlschelpen (fam.): limaedoj
vijlsel: fajlaĵo
vijver: lageto
vijzel: pistujo
viking: vikingo
viking-: vikinga
villa: vilao
villen: senfeligi, senhaŭtigi
vilt: felto
vin: naĝilo
vina: vinao
vinden: trovi
   het vinden: trovo
vinger: fingro, manfingro
   vinger (vingerbreedte): fingro
vingerafdruk: fingrospuro
vingerbreedte: fingro
vingerhoed: fingringo
vingerkootje: falango
vingerontsteking: panaricio
je vingers verbranden: bruligi siajn fingrojn
vink: fringo
violet:
   violet (bn.): viola
   violet (bn.): violkolora
   violet (zn.): violkoloro
violier: levkojo
viool: violono
viool spelen: violoni
viooltje: violo
   driekleurig viooltje: trikoloreto
   driekleurig viooltje: violego
viooltjesfamilie: violacoj
VIP: eminentulo
virginaal: klaviceneto
virtueel: virtuala
virtuoos: virtuozo
virus: viruso
vis: fiŝo
visarend: fiŝaglo, pandiono
visarenden (fam.): pandionedoj
viseren: vizi
vishaak: fiŝhoko
visie: konceptado, vizio
visitekaartje: nomkarto, vizitkarto
viskuit: frajo
vislijm: iĥtiokolo
vislijn: fiŝfadeno, hokfadeno
visnet: fiŝreto
vissen: fiŝhoki, fiŝi , Fiŝoj
visser: fiŝisto
vissnoer: hokfadeno
visualiseren: bildigi
visum: vizo
vitaal: vitala
vitalisme: vitalismo
vitamine: vitamino
vitreus: vitreca
vitrine: montrofenestro , vitrino
vitriool: vitriolo
vivisectie: vivisekcio
vizier: ĉapobeko, viziero
   vizier (minister): veziro
Vlaams: flandra
Vlaanderen: Flandrio, Flandrujo
Vladimir: Vladimiro
vlag: flago, standardo
met vlaggen versieren: flagi
vlaggendoek: stamino
vlak: faco, surfaco
   vlak (nw.): ebena
   plat vlak: ebeno
   vlak (z.nw.): edro
vlakgom: skrapgumo
vlak maken: ebenigi
vlakte: ebenaĵo
vlam: flamo
Vlaming: flandro
vlammen: flami
vlammend: flama
vlas: lino
vlasbaard (melkmuil): flavbekulo
vlasfamilie: linacoj
vlasvink: kanabeno
vlecht: harligo, harplektaĵo, plektaĵo
   valse vlecht: harpostiĉo
   Poolse vlecht: pliko
vlechten: plekti
vlechtwerk: plektaĵo
vleermuizen (orde): vespertoj
vlees: karno
   gesmoord vlees: sufokitaĵo
   vlees (om te eten): viando
vleet: rajo
vlegel: malĝentilulo
vlegelachtig: malĝentila
vleien: kaĵoli
   vleien (om iets de bekomen): danci kiel kato ĉirkaŭ poto
vleiend: kaĵola
vleier: flatanto
vlek: makulo
vlekkeloos: senmakula
vlerk: bubo
vleugel: alo, flugilo
   vleugel (v.deur of raam): klapo
vleugelbreedte: enverguro
vleugelpiano: fortepiano
vlezig: korpampleksa, korpulenta
vlieg: muŝo
   Spaanse vlieg: kantarido
vliegbrevet: pilota permesilo
vliegen: flugi
   vliegen (in vliegtuig): aviadi
   echte vliegen: muŝedoj
vliegenzwam: muŝfungo
vlieger: drako, flugdrako, kajto
vliegerskostuum: kombineo
vliegtuig: aeroplano, aviadilo, avio
vliegveld: aerodromo
vlier: sambuko
vlies: membrano
vliesvleugeligen: himenopteroj
vlinder: papilio
vlinderbloemigen: fabacoj
   vlinderbloemigen (arch.): papiliacoj
vlinderdas: bantkravato
vlo: pulo
vloed: fluso
vloedgolf: cunamo
vloeibaar: fluaĵa, fluida, likva
vloeibaar maken: fluidigi, likvigi
vloeibaar worden: fandiĝi
vloeien: flui
vloeiend: flua
vloeiende letter: flua konsonanto, likvido
vloeipapier: sorbopapero
vloeistof: fluaĵo, fluidaĵo, likvaĵo, likvo
vloeistofdynamica: fludinamiko
vloeistofmechanica: fludinamiko
vloek: malbeno
vloeken: sakri
vloer: planko
vloerbedekking: tapiŝo
vlok: floko
vlooienmarkt: pulbazaro
vloot: floto, ŝiparo
vlot (z.nw.): floso
vlotten: flosi
   vlotten (z.nw.): flosado
   doen vlotten: flosigi
vlotter: flosilo, flosisto
vlotvoerder: flosisto
vlucht: flugo
   vlucht (het vluchten): fuĝo
   vlucht (spanwijdte): spano
vluchten: fuĝi
vlug: rapida
VN: Unuiĝintaj Nacioj
vocatief: vokativo, vokkazo
vocativus: vokativo
vochtig: humida, malseketa
vochtigheidsmeter: higrometro, higroskopo
voeden: nutri
voeder: furaĝo
voedplaats: nutrejo
voedsel: manĝaĵo, nutraĵo
voedselcoupon: nutraĵkupono
voedster: mamnutristino, nutristino
voedzaam: nutra
voeg: junto
voegwoord: konjunkcio
   nevenschikkend voegwoord: kunordiga konjunkcio
   nevenschikkend voegwoord: kunordigilo
   onderschikkend voegwoord: subjunkcio
   onderschikkend voegwoord: subordiga konjunkcio
   onderschikkend voegwoord: subordigilo
voelen: senti
   zich voelen: farti
voerbak: kripo
voering: subaĵo
Voerman:
   Voerman (sterrenbeeld): Ĉaristo
   Voerman (sterrenbeeld): Koĉero
voertuig: veturilo
voet: piedo
   voet (lengtemaat): futo
   te voet: piede
   aan de voet: piede de
voetbal: futbalo
   het voetbal: piedpilkado
   de voetbal: piedpilko
aan de voeten: piede de
voetknecht: landskneĥto
voetnoot: piednoto
voetpuntskromme: podajro
voetring (v.e.zuil): toro
voetstuk: piedestalo, postamento, soklo
voetwortel: tarso
voetzoeker: petardo
voetzool: piedplato, plando
vogel: birdo
vogelbekdier: ornitorinko
vogelkenner: ornitologiisto
vogelkers: paduso
vogelkruid: birdoherbo
vogelkunde: ornitologio
vogellijmfamilie: lorantacoj
vogelmuur: meza stelario
vogelvrij verklaren: proskribi
vogelvrijverklaring: proskribo, proskripcio
vol: plena
Volapük: Volapuko
Volapükist: volapukisto
volbloed: purrasa
voldaan: sata
voldoen: taŭgi
voldoende: sufiĉa, sufiĉe
voldoende zijn: sufiĉi
volgen: rezulti, sekvi
   doen volgen: sekvigi
volgende: jena
   het volgende: jeno
volgens: laŭ
volgorde: sinsekvo
volgroeid: adolta
als volgt: jene
volharden: persisti
volhoudend: malcedema
volijverig: fervora
volitief: volitivo
volk: nacio, popolo
   iets eigen aan het volk: naciaĵo
volkenkunde: etnologio
volkenloosheid: sennaciismo
volkenmoord: genocido
volkerenmoord: genocido, gentomurdo
volkomen: senmanka
volksstam: tribo
volksverhaal: popolrakonto
volledig: integra, kompleta, plena, tute
volledigheid: kompleteco
volle maan: plenluno
vollen: fuli
volleybal:
   het volleybal: flugpilkado
   de volleybal: flugpilko
volmaakt: perfekta, senmanka
volmacht: prokuro
volstoppen: ŝtopi
volt: volto
Voltaire: Voltero
   aanhanger van Voltaire: volterano
voltooid: finita
volume:
   volume (inhoud): volumeno
   volume (boek): volumo
volwassen: adolta
   het volwassen worden: adoltiĝo
volwassene: adolto
volwassenheid: adolteco
vondst: trovaĵo, trovitaĵo
vonk: fajrero, sparko
vonnis: verdikto
vont: baptokuvo, baptujo
voodoo: Voduismo, Voduo
voodoobeoefenaar: Voduano
voodooisme: Voduismo
voogd: kuratoro
voogdij: kuratoreco
voor: por
   naar voor: al antaŭ
   voor (vóór): antaŭ
   naar voor: antaŭen
   voor (in grond): sulko
vooraan: antaŭe
vooraan plaatsen: antaŭigi
vooraanstaand persoon: eminentulo
voorafje: antaŭmanĝaĵo
vooral: precipe
vooravond: antaŭvespero
voorbeeld: ekzemplo, ilustraĵo, provekzemplero
voorbeeldig: modela
voorbehouden: rezervi
voorbereiden: prepari
voorbereidend: prepara
voorbereiding: preparado, preparo
voorbeschiktheid: antaŭkapablo
voorbestemmen: antaŭdifini
voorbij: preter
voorbije: inta
voorbijgaan: pasi, preterpasi
   het voorbijgaan: pasado
   in het voorbijgaan: preterfluge
voorbijgaand: maldaŭra , pasema
voorbijganger: pasanto
voorbijglijden: pretergliti
voorcongres: antaŭkongreso
voordeel: avantaĝo, profito, utilo
voordeel bezorgen: profitigi
voordeel trekken uit: profiti
voordelig: profita
voordien: antaŭe
voordoen:
   zich voordoen als: ludi
   zich voordoen: ŝajnigi
voordracht: parolado, recito
   een voordracht geven: prelegi
voordrachtgever: preleganto
voordragen: reciti
voorgaan: antaŭi, antaŭiri
voorganger: antaŭanto, antaŭulo
voorgebergte: kapo, promontoro, terkapo
voorgenomen: intenca
voorgerecht: antaŭmanĝaĵo, antaŭplado
   als voorgerecht: antaŭplade al
voorgevel: fasado
een voorgevoel hebben: antaŭsenti
voorgrond: malfono
voorhebben: intenci
voorhistorisch: praa
voorhoede: antaŭgvardio
voorhof: antaŭkorto
voorhoofd: frunto
voorhoofdsbeen: fruntalo, fruntosto
voorhuid: prepucio
voorjaar: printempo
voorjaars-: printempa
voorjaarskluifzwam: giromitro
voorkamer: antaŭĉambro
voorkant: antaŭaĵo, antaŭo, fronto
   aan de voorkant: fronte
voorkeur: prefero
   wat de voorkeur wegdraagt: preferindaĵo
voorkeur geven: preferi
voorkomen: preventi
voorkómen: antaŭhaltigi
voorkómend: galanta
voorleggen: elmeti
voorlopen: antaŭi
voorloper: prodromo
voorlopig: provizora
voormalig: iama
voormiddag (9-12 u.): antaŭtagmezo
voormoeder: prapatrino
voorn: ploto
voornaam: antaŭnomo, persona nomo
   voornaam (doopnaam): baptonomo
voornaamste: precipa
voornaamwoord: pronomo
   persoonlijk voornaamwoord: persona
   bezittelijk voornaamwoord: posesivo
   wederkerend voornaamwoord: refleksivo
voornemen: intenco
voornemens zijn: intenci
vooronderstelling: konjekto
vooroordeel: antaŭjuĝo
vooroorlogs: antaŭmilita
vooropstellen: premisi
   vooropstellen (ontr.): antaŭpremisi
voorplein: placego
voorraad: provizaĵo, provizo, stoko
voorraadkamer: provizejo
voorraadschuur: provizejo
voorrang: prioritato
   met voorrang: prioritate
   voorrang hebben: prioritati
   voorrang geven: prioritatigi
voorrangs-: prioritata
voorrecht: prerogativo, privilegio
voorrede: antaŭparolo, prefaco, prologo
te voorschijn roepen: elvoki
voorschrift: precepto, preskribo
voorschrijven: preskribi
voorsmaak: antaŭgusto
voorspel: preludo
voorspellen: profeti, prognozi
voorspelling: profetaĵo, prognozo
voorspoed: prospero
voorspreken: propeti
voorspreker: proparolanto
voorstad: antaŭurbo
voorste: antaŭa
voorstel: propono, sugesto
voorstelbaar: konceptebla
voorstellen: levi, prezenti, proponi, sugesti
   voorstellen (door hypnose): sugestii
voorstelling: prezentado, seanco
voorsteven: pruo
voortdrijven: peli
voortduren: plui
voortdurend: ĉiama
voorteken: aŭspicio, omeno
voortgaan met: pluigi
voortreffelijk: eminenta
voortrekken: pioniri
voortrekker: rovero
voorttrekken: treni
voortwoekeren (arch.): proliferi
voortzetten: kontinuigi
vooruit!: ek
vooruitgaan: antaŭeniri
   vooruitgaan (vorderen): progresi
vooruitgang: progreso
vooruit helpen: antaŭenigi
vooruitstrevend: progresema
voorvader: prapatro, praulo
voorvechter: ĉampiono
voorvertrek: antaŭĉambro
voorvoegsel: antaŭafikso, prefikso
   het gebruik van voorvoegsels: prefiksado
voorwaarde: kondiĉo
   op voorwaarde dat: kondiĉe ke
voorwaardelijk: kondiĉa
voorwaardelijke wijs: kondicionalo
voorwaarts: antaŭen
voorwenden: preteksti, simuli
voorwendsel: preteksto, simulado
voorwerp: objekto
   indirect voorwerp: nerekta komplemento
   voorwerp (taalk.): objekta komplemento
   direct voorwerp: rekta komplemento
voorwerpelijk: objekta
voorwoord: antaŭparolo, prefaco
voorzanger: kantoro
voorzeggen: antaŭparoli
voorzetsel: prepozicio
voorzichtig: garde, prudenta, singarda, singarda a
voorzichtigheid: prudento, singardeco, singardo
voorzien: antaŭvidi
voorzienigheid: providenco
voorzien van: provizi
voorzijde: antaŭaĵo, antaŭo, fronto
   met de voorzijde staan naar: fronti
voorzitten: prezidi
voorzitter: prezidanto
voorzorgsmaatregelen treffen: antaŭzorgi
vorderen: progresi
vorderingen maken: progresi
vorige: antaŭa
   het vorige: antaŭaĵo
   het vorige: antaŭo
vork: forko
vorkje: forketo
vorkstaartpluvier: glareolo
vorm:
   lijdende vorm: pasivo
   vorm (gramm.): voĉo
vormen: konsistigi, konstitui
   vormen (r.k.): konfirmacii
   vormen (r.k.): konfirmi
vormend: koncepta
vormleer: morfologio
vormsel: konfirmacio, konfirmo
vormverandering (taalk.): deklinacio
vorser: scienculo
vorst: monarĥo
   vorst (dakvorst): firsto
   vorst (koude): frosto
vos: vulpo
Vosje: Vulpino
vousvoyeren: viumi
vouw: faldo
vouwdeur: faldpordo
vouwen: faldi
vraag: demando, postulo
   een vraag stellen: demandi
   vraag (verzoek): peto
vraag- en aanbod: proponado kaj postulado
vraagstuk: problemo
vraagteken: demandosigno
vracht: frajto, kargo
vrachtbrief: frajtletero, konosamento, ŝarĝatesto
vrachtcontract: ĉarto
vrachtgoed: frajtaĵo
vrachtschip: kargboato, kargoŝipo
vrachtvliegtuig: kargaviadilo
vrachtwagen: kamiono, ŝarĝaŭto
vrachtwagenchauffeur: ŝarĝaŭtisto
vragen:
   vragen (een vraag stellen): demandi
   vragen (verzoeken): peti
vrede: paco
vrederechter: paciga juĝisto
vredesverdrag (ontr.): packontrakto
vredig: paca
vreedzaam: paca
vreemd: fremda, stranga
   vreemd (niet van hier): fremda
   vreemd (eigenaardig): kurioza
vreemdsoortig: kurioza
vreemd woord: neologismo
vrees: timo
vreesachtig: tima
vreten: manĝegi
vreugde: ĝojo
vrezen: timi
vriend: amiko
   valse vriend: falsa amiko
   vriend (romantisch partner): koramiko
   valse vriend: ŝajnamiko
vriendelijk: afabla, amika
vriendendienst: amikaĵo
vriendenmaal: agapo
vriendin: amikino
   vriendin (romantisch partner): koramikino
   vriendin (romantisch partner): koramiko
vriendinnetje: amanto
vriendje: amanto
vriendschap: amikeco
vriendschappelijk: amika
vriendschapsbetuiging: amikaĵo
vriesvak: frostofako
vriezen: frosti
vrij: libera
vrijaf geven: forpermesi
vrij beroep: libera profesio
vrijdag: vendredo
Goede Vrijdag: Sankta Vendredo
vrijdenkerij: libertinismo
vrije dag: ferio
vrijen: amori
   het vrijen: amoro
vrijetijdsbesteding: hobio
vrijgevig: malavara, oferema
vrijgezel: fraŭlo
vrijheid: libereco, libero
   vrijheid (litt.): licenco
vrijkopen: elaĉeti
vrijlaten: elprizonigi
vrijmetselaar: framasono
vrijmetselaars-: framasona
vrijmetselarij: framasonismo
vrijspraak: malkondamno
vrijuit: libere
vrijwillig: libervola
vrijwilliger: volontulo
vrij zijn: vaki
vrijzinnigheid: liberkredo
vroedkundige: akuŝistino , akuŝisto
vroedvrouw: akuŝistino , akuŝisto
vroeg: frua
vroeger aankomen: antaŭiĝi
vroeger zijn: antaŭiĝi
vroegtijdig: frue
vrolijk: gaja
vroom: vrome daad: piaĵo
vroom: pia
   vroom persoon: piulo
vroomheid: pieco
vrouw: femino, homino, ino, virino
   vrouw (echtgenote): edzino
vrouwelijk: ina, inseksa, virina
vrouwenarts: ginekologiisto, ginekologo, virinkuracisto
vrouwenhaar (plant): adianto
vrouwenhaat: mizogineco
vrouwenhater: mizogino
vrouwenmantel: alĉemilo
vrouwenvertrek: gineceo
vrouwtje: ino
vrouwtjeskat: katino
vrouwtjesvos: virvulpo
vrucht: frukto
vruchtbaar: fekunda, fruktodona, naskema
vruchtbaar maken: fekundigi, fruktigi
vruchtbeginsel: ovario
vruchtblad: fruktofolio, karpelo
gekonfijte vruchten: konfitaĵo
vruchten dragen: frukti
vruchtgebruik: fruktuzo
vruchtvlees: pulpo
vruchtwand: glumo
vruchtwisseling: kultivciklo
vuil: aĉa, malpura
vuilaard: aĉulo
vuilboom: frangolo
vuilik: aĉulo
vuil maken: malpurigi
vuilnis: balaaĵo, rubo
vuilnisemmer: rubujo
vuil worden: malpuriĝi
vuist: pugno
   voor de vuist weg: improvize
vulcaniseren: vulkanizi
Vulgaat: Vulgato
vulgair: triviala, vulgara
vulkaan: vulkano
vullen: farĉi, plenigi
   vullen (tanden): plombi
   vullen (v.kussen): remburi
vulling: plombo
   vulling (voedsel): farĉo
vulpen: fontoplumo
vulsel (voedsel): farĉo
vulva: vulvo
vuren: fajri
vurig: fajra, fajre, fervora, flama, sangvina
vuur: fajro, fervoro
   vuur (fig.): flamo
   vuur (fig.): vervo
vuurdoorn: pirakanto
vuurhaard: fajrejo
vuurmaker: fajrilo
vuurpijl: raketo
vuurplaats: fajrejo
vuurscherm: fajroŝirmilo
vuursteen: siliko
vuurtang: fajroprenilo
vuurtoren: lumturo
vuurvogel: fajrobirdo
vuurwapen: pafilo, pulvopafilo
vuurwerk: artfajraĵo, fajraĵo, piroteknikaĵo
vuurwerkmaker: fajraĵisto
vuvuzela: vuvuzelo